Door Lodewijk Buschkens, senior EU-adviseur bij CAOP
Die inzet krijgt vorm langs bekende lijnen: kwaliteit van werk, leven lang ontwikkelen en eerlijke arbeidsmobiliteit, met sociale bescherming en sociale dialoog als het fundament van het Europese model. Het zijn precies de thema’s die ook in Nederland hoog op de agenda staan. Het gaat dan ook niet om verre Brusselse beleidsvoornemens, maar om keuzes die via Europese richtlijnen en nationale implementatie direct doorwerken in wetgeving en het speelveld van cao‑onderhandelingen – van loontransparantie en minimumloon tot scholingsrechten en arbeidsvoorwaarden van platformwerkers.
Economische vooruitgang in dienst van mensen
Commissie voorzitter Ursula von der Leyen benadrukte dat economische groei geen doel op zich is, maar mensen moet dienen. Concurrentievermogen en sociaal beleid zijn geen tegenpolen, maar versterken elkaar: “Concurrentievermogen is ons doel, sociale vooruitgang onze essentie.” Zij riep op om gezamenlijk het Europese sociale model te versterken.
Drie prioriteiten stonden centraal:
- De versterking van de interne markt, onder meer via het aangekondigde Pakket voor eerlijke mobiliteit (verwacht in 2026), dat grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit moet moderniseren en vereenvoudigen.
- Het investeren in vaardigheden en hoogwaardige banen, onder andere via de Unie van vaardigheden en een nieuwe vaardighedengarantie.
- Het aanpakken van de betaalbaarheid van wonen via het Europees plan voor betaalbaar wonen.
Met deze initiatieven wil de Europese Commissie burgers beter voorbereiden op veranderingen door AI, de groene transitie en demografische druk.
Kwaliteitsbanen als motor van productiviteit
Kwaliteit van werk was een van de centrale thema’s. In de sessie over “quality jobs” werd duidelijk dat de Europese Commissie kwaliteitsbanen ziet als een strategische hefboom voor economische groei. Kwalitatief hoogwaardige banen zijn niet alleen belangrijk voor werknemers, maar dragen ook bij aan productiviteit, innovatie en duurzame concurrentiekracht.
De aangekondigde Wet op kwaliteitsbanen of “Quality Jobs Act” (verwacht in het vierde kwartaal van 2026) moet de Routekaart voor hoogwaardige banen uit december 2025 verder verankeren in wetgeving. Voortbouwend op de routekaart en lopende consultaties zal de Wet op kwaliteitsbanen waarschijnlijk het volgende bevatten:
- Modernisering van arbeidsnormen zodat werk gelijke tred houdt met digitalisering, AI en de groene transitie.
- Strengere regels rond AI en algoritmisch management op de werkvloer, met aandacht voor toezicht en werknemersrechten.
- Meer aandacht voor mentale gezondheid op het werk en betere handhaving van bestaande arbeidswetgeving en versterking van sociale dialoog en collectieve onderhandelingen.
- Maatregelen tegen misbruik in onderaannemingsketens en tegen schijnconstructies.
Vaardigheden als nieuwe sociale infrastructuur
Op de tweede dag was er brede consensus: vaardigheden moeten de nieuwe sociale infrastructuur van Europa worden. In een arbeidsmarkt die snel verandert door technologische innovatie en de energietransitie, zijn voortdurende scholing en omscholing essentieel. Met de lancering van de Unie van vaardigheden in maart 2025 wil de Europese Commissie onderwijs, opleiding en leven lang ontwikkelen versterken. Doel is om hogere niveaus van basis- en geavanceerde vaardigheden te realiseren, werknemers in staat te stellen zich regelmatig bij te scholen en bedrijven te ondersteunen bij het aantrekken en behouden van talent.
De in november 2025 geïntroduceerde vaardighedengarantie moet werknemers helpen bij de overstap naar strategische sectoren en bijdragen aan het oplossen van tekorten in groeisectoren. Ook het Pact voor Vaardigheden stimuleert samenwerking tussen overheden, onderwijsinstellingen, bedrijven en sociale partners rond bij- en omscholing. De koppeling met de Clean Industrial Deal benadrukt dat industriële transformatie alleen mogelijk is met de juiste vaardigheden.
Van Europese ambities naar regionale praktijk
Tijdens het Forum werd benadrukt dat Europese ambities rond vaardigheden en kwaliteitsbanen alleen effect hebben als zij regionaal worden verankerd. In dat kader werd het Noord‑Hollandse manifest ‘Werken en Ontwikkelen 2030’ (2024) gepresenteerd als concreet voorbeeld. In een brede coalitie van overheid, onderwijs en bedrijfsleven wordt gewerkt aan de versterking van de technische en technologische arbeidsmarkt, onder meer via leergemeenschappen, ontwikkelcoalities en campusvorming. De inzet op leven lang ontwikkelen, mobiliteit van werk naar werk en het benutten van onbenut arbeidspotentieel geeft concreet invulling aan de Europese vaardighedenagenda, waarin vaardigheden worden gezien als strategische productiefactor.
Een ander voorbeeld is de Strategische Agenda Brainport (2023), waarin Rijk en regio samenwerken aan toekomstbestendige economische groei tot 2030. De nadruk op talentontwikkeling, technologische innovatie en een sterke aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt sluit direct aan bij de Europese Unie van Vaardigheden. Via gerichte (om)scholing en intensieve samenwerking tussen overheid, onderwijs en bedrijfsleven wordt gewerkt aan een regionaal skills‑ecosysteem, vergelijkbaar met het Europese Pact voor Vaardigheden. Tegelijkertijd laat Brainport zien dat deze opgave urgent is: de groei staat onder druk door tekorten aan gekwalificeerd talent.
Ook in Twente krijgt de Europese vaardighedenagenda concreet vorm via de Regio Deal Twente (2023–2027). In samenwerking tussen Rijk, provincie, ondernemers en onderwijs wordt geïnvesteerd in een toekomstbestendig bedrijfsleven en het beter benutten van talent. Deze samenwerking tussen ondernemers, overheid en onderwijs weerspiegelt de aanpak van het Europese Pact voor Vaardigheden, waarin publieke en private partners gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor het ontwikkelen van menselijk kapitaal.
Arbeidsmobiliteit en betaalbaarheid van woningen
Met het aangekondigde Pakket voor eerlijke mobiliteit wil de Commissie grensoverschrijdend werken eenvoudiger maken, onder meer via een Europese socialezekerheidspas (ESSPASS) en betere erkenning van kwalificaties. Daarnaast laat het Europees plan voor betaalbaar wonen zien dat sociale randvoorwaarden steeds nadrukkelijker onderdeel zijn van de economische agenda. Toegang tot betaalbare en duurzame huisvesting is niet alleen een kwestie van sociale bescherming, maar ook van een goed functionerende arbeidsmarkt en concurrentiekracht. In regio’s waar woonlasten sterk stijgen, komen arbeidsmobiliteit, talentbehoud en economische groei onder druk te staan. Door wonen expliciet te verbinden aan deze economische opgaven benadrukt de Commissie dat sociale infrastructuur – waaronder huisvesting – een voorwaarde is voor een goed functionerende interne markt.
Het Europese sociale model in economisch perspectief
In Brussel werd duidelijk dat het Europese sociale model niet wordt losgelaten, maar opnieuw wordt gepositioneerd binnen een veranderende economische context. Sociale bescherming, arbeidsrechten en sociale dialoog blijven de basis, maar worden sterker verbonden met het concurrentievermogen van Europa in een tijd van digitalisering, geopolitieke druk en groene transitie. Arbeidskwaliteit wordt daarbij niet alleen gezien als beschermingsdoel, maar ook als factor voor productiviteit en concurrentiekracht. Tegelijkertijd staat weerbaarheid centraal: het vermogen van economie en arbeidsmarkt om schokken op te vangen en zich aan te passen aan structurele transities zonder sociale ontwrichting. Een sterke vaardighedenbasis, kwaliteitsbanen en robuuste sociale bescherming vormen hiervoor de randvoorwaarden. De onderliggende gedachte is dat economische groei en sociale vooruitgang elkaar niet uitsluiten, maar juist versterken.
Ook armoedebestrijding blijft nadrukkelijk onderdeel van deze agenda. In de discussie over de 2030‑doelstellingen werd benadrukt dat concurrentievermogen en sociale samenhang onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De Commissie houdt daarom vast aan de bestaande doelen: een werkgelegenheidsgraad van 78 procent, jaarlijkse scholing voor 60 procent van de volwassenen en 15 miljoen minder mensen in armoede of sociale uitsluiting.
Wat betekent dit voor het publieke domein?
Voor organisaties in het publieke domein betekent deze Europese koers dat thema’s als kwaliteit van werk, vaardigheden en sociale dialoog nadrukkelijk op de agenda blijven staan. Europese initiatieven rond mobiliteit, kwaliteitsbanen en scholing zullen de komende jaren hun weerslag hebben op nationale wetgeving, cao-onderhandelingen en organisatiebeleid. Dit vraagt om tijdige oriëntatie en gezamenlijke reflectie. Wat betekenen nieuwe Europese voorstellen voor bestaande afspraken? Waar ontstaan kansen om beleid te versterken? En hoe kunnen ervaringen uit andere lidstaten helpen bij de verdere ontwikkeling van de Nederlandse praktijk?
De boodschap is helder: Europese keuzes bepalen mede de speelruimte van nationale en regionale actoren. Wie invloed wil houden op de uitvoering, moet tijdig betrokken zijn bij de totstandkoming van dit beleid. Voor sociale partners en professionals in het publieke domein is het daarom belangrijk om de Europese agenda te volgen, van andere lidstaten te leren en te vertalen wat dit betekent voor het eigen beleid en de praktijk. De Brusselse agenda is geen bijzaak meer, maar een strategisch onderdeel van het eigen werk. Ze bepaalt mede de speelruimte waarbinnen publieke organisaties opereren.