Onlangs publiceerden het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) en CAOP de historische analyse Een kwestie van lange adem: historische analyse van het beleid op het terrein van het lerarentekort, uitgevoerd in opdracht van de commissie OCW van de Tweede Kamer. Het onderzoek laat zien hoe dertig jaar arbeidsmarktbeleid in het onderwijs zich heeft ontwikkeld en welke patronen steeds terugkeren.
De urgentie blijft ondertussen groot. In oktober 2025 bedroeg het lerarentekort in het primair onderwijs 5.760 fte en in het voortgezet onderwijs 2.220 fte bij de vervulling van reguliere banen en langdurige vervangingen. Prognoses laten zien dat deze tekorten de komende jaren aanhouden, met regionale verschillen in het primair onderwijs en verschillen naar vak in het voortgezet onderwijs. In gesprek met Van der Aa gaan we dieper in op de vraag waarom het probleem zo hardnekkig is en waarom samenhang en koersvastheid volgens hem essentieel zijn.
Tekorten laten zich lastig voorspellen
De historische analyse laat zien dat ontwikkelingen op de onderwijsarbeidsmarkt moeilijk voorspelbaar zijn. “Er waren wel signalen dat tekorten konden ontstaan, maar economische en maatschappelijke ontwikkelingen hebben grote invloed op de onderwijsarbeidsmarkt. Tijdens de financiële crisis van 2008 tot 2013 bleven bijvoorbeeld meer mensen in het onderwijs werken dan vooraf werd verwacht.”
Ook beleidsmaatregelen speelden daarbij een rol. Zo werden regelingen waardoor oudere leraren minder konden werken geleidelijk afgebouwd, waardoor leraren langer beschikbaar bleven voor het onderwijs. Volgens Van der Aa onderstreept dat hoe sterk het onderwijs verbonden is met bredere ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid.
Instroom alleen is niet voldoende
Hoewel veel maatregelen zich richten op het vergroten van de instroom, is dat volgens Van der Aa slechts een deel van de oplossing. “Zelfs wanneer tekorten tijdig worden gesignaleerd, betekent dat niet automatisch dat er enkele jaren later voldoende extra leraren beschikbaar zijn.” De opleiding van leraren kost tijd en het onderwijs concurreert bovendien met andere sectoren om talent.
Daarnaast is het behoud van leraren minstens zo belangrijk als het aantrekken van nieuwe mensen. “Je wilt voorkomen dat professionals de sector verlaten. Dat vraagt om meer aandacht voor loopbaanmogelijkheden, professionele ontwikkeling en de aantrekkelijkheid van het beroep op langere termijn. Daar is in het beleid ook gaandeweg steeds meer aandacht voor gekomen.”
Verschil tussen beleid en praktijk
Een andere belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat beleid en praktijk niet altijd goed op elkaar aansluiten. “Er wordt veel nadruk gelegd op professionalisering en ontwikkeling, maar in de praktijk ontbreekt het leraren vaak aan tijd en ruimte om daar daadwerkelijk invulling aan te geven.”
Juist die spanning tussen ambities en uitvoerbaarheid komt volgens Van der Aa regelmatig terug in het onderwijsbeleid. Leraren ervaren een hoge werkdruk en staan dagelijks voor de uitdaging om alle leerlingen voldoende aandacht te geven. Daardoor schieten scholing, reflectie en ontwikkeling er regelmatig bij in, terwijl die aspecten volgens Van der Aa juist belangrijk zijn voor de aantrekkelijkheid van het beroep. “Mensen willen zich blijven ontwikkelen in hun werk. Als die mogelijkheden beperkt zijn, heeft dat invloed op de aantrekkelijkheid van het beroep en het behoud van personeel.”
De aantrekkelijkheid van het beroep draait om meer dan salaris
Discussies over het lerarentekort gaan vaak over salarissen. Volgens Van der Aa is dat begrijpelijk, maar tegelijkertijd te beperkt. Er bestaat volgens hem geen silver bullet die het probleem oplost. Het gaat juist om een combinatie van factoren die samen bepalen hoe aantrekkelijk het beroep is. In het onderzoek wordt daarbij gekeken naar de zogenoemde ‘vier A’s’:
- aantrekkelijke arbeidsinhoud;
- aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden;
- aantrekkelijke arbeidsomstandigheden;
- aantrekkelijke arbeidsverhoudingen.
Bij arbeidsinhoud gaat het bijvoorbeeld over professionele ruimte, autonomie en mogelijkheden om je binnen het vak verder te ontwikkelen. Arbeidsvoorwaarden gaan over salaris en werkzekerheid. Arbeidsomstandigheden raken aan werkdruk en ondersteuning in de klas. Arbeidsverhoudingen hebben betrekking op samenwerking, leiderschap en de relatie tussen medewerkers en leidinggevenden.
Volgens Van der Aa moet beleid altijd in samenhang worden bekeken. “De aantrekkelijkheid van het beroep wordt bepaald door het geheel. Niet alleen door arbeidsvoorwaarden, maar ook door professionele ruimte, ontwikkelmogelijkheden en de dagelijkse werkomgeving.”
Werkdruk blijft hardnekkig vraagstuk
Vooral de werkdruk blijft volgens Van der Aa een ingewikkeld vraagstuk. “Het onderwijs kent al langere tijd een hoge werkdruk. Dat hangt samen met de aard van het werk: leraren moeten voortdurend schakelen en veel verschillende taken combineren.” Hoewel regelmatig wordt gekeken naar administratieve lasten en bureaucratie, is er volgens hem geen eenvoudige oplossing.
Tegelijkertijd ziet Van der Aa wel mogelijkheden om leraren beter te ondersteunen, bijvoorbeeld door ondersteunende functies in en rond de klas sterker in te zetten. “Ondersteuning in de klas kan helpen om de aandacht beter te verdelen en leraren meer ruimte te geven voor hun kerntaken.”
Koersvastheid belangrijker dan tijdelijke oplossingen
Een terugkerend patroon in de historische analyse is dat veel beleid tijdelijk van aard is. Subsidies en losse maatregelen volgen elkaar op, terwijl scholen en opleidingen juist behoefte hebben aan duidelijkheid op langere termijn. “Tijdelijke subsidiemaatregelen kunnen helpen om acute problemen op te vangen, maar bieden onvoldoende basis voor structurele verbetering.”
Uit de historische analyse blijkt bovendien dat veel discussies over het lerarentekort periodiek terugkeren. De afgelopen dertig jaar zijn meerdere commissies ingesteld om oplossingen te formuleren, terwijl veel aanbevelingen nog altijd actueel zijn. Volgens de onderzoekers ligt het probleem daarom niet zozeer in een gebrek aan kennis, maar vooral in de uitvoering en samenhang van beleid.
Koersvastheid betekent volgens Van der Aa daarom vooral dat de overheid duidelijk maakt waar zij op lange termijn naartoe wil — zowel kwalitatief als kwantitatief — en beleid daarop consequent blijft afstemmen. “Het onderwijs heeft behoefte aan een helder langetermijnperspectief, waarbij maatregelen in samenhang worden ontwikkeld en over langere tijd worden volgehouden. Zorg ook voor lerend beleid, waarin op basis van evaluaties lessen worden getrokken voor de toekomst.”
Geen snelle oplossing, wel een duidelijke richting
Volgens Van der Aa vraagt het terugdringen van het lerarentekort uiteindelijk om realisme én lange adem. Niet één losse maatregel, maar een combinatie van maatregelen die elkaar versterken en langdurig worden volgehouden.
“Mensen kiezen vaak heel bewust voor het onderwijs. Dat zijn professionals die leerlingen willen helpen zich te ontwikkelen en via onderwijs willen bijdragen aan de samenleving.” Juist daarom is het volgens hem belangrijk dat beleid niet alleen gericht is op het oplossen van acute tekorten, maar op het duurzaam versterken van de aantrekkelijkheid van het beroep en de sector als geheel.