Dankwoord prof. dr. W. Albeda

"Leerstoel blijft platform voor openbaar debat"

Dankwoord bij zijn afscheid als bijzonder hoogleraar Albeda leerstoel, prof. dr. W. Albeda, uitgesproken tijdens het congres over ambtelijke status op 25 oktober 2005.

Mijn vertrek als voorzitter van het bestuur van de leerstoel, is een goede gelegenheid voor een korte terugblik. Om inhoud te geven aan de sociale grondrechten in het Europees Sociaal Handvest van 1965, moesten drie stappen worden gezet: het invoeren van het stakingsrecht, het herzien van het overlegstelsel en het opzetten van een regeling voor bemiddeling en arbitrage. Centraal stond de omvorming van het overlegstelsel, maar de eerste stap naar verandering was de instelling van de Advies- en Arbitragecommissie (AAC) in 1984. Toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Rietkerk vroeg mij voorzitter te worden van de commissie die vanaf dat moment de Commissie Albeda ging heten. Minister Rietkerk sprak bij de installatie de verwachting uit (of beter gezegd: de hoop, met de gedachten aan de ambtenarenacties van herfst 1983 nog in het geheugen), dat de commissie weinig te doen zou krijgen. Iets wat ik toen al betwijfelde. Gebleken is dan ook dat de commissie een rol van betekenis is gaan spelen bij de groei naar een nieuw stelsel en zich een vaste plaats heeft verworven in het arbeidsvoorwaardenoverleg in de collectieve sector. Het bestaan van de commissie en daarmee de geschillenregeling heeft haar conflictbeheersende en emanciperende effect gehad op een meer gelijkwaardige positie tussen partijen in het overleg en leidde tot een groeiende belangstelling voor de specifieke vragen betreffende de arbeidsverhoudingen in de publieke sector.

Bij het vijfjarig bestaan van de AAC, in 1989, is door minister Rietkerk aan de commissie de naar de commissie-Albeda vernoemde bijzondere leerstoel aangeboden, waarbij de leeropdracht zich toespitste op het proces van arbeidsvoorwaardenvorming bij de overheid. Indirect kreeg daarmee het proces van naar gelijkwaardigheid zoekende sociale partners de aandacht die de snel wijzigende arbeidsverhoudingen in de publieke sector verdienden.
Binnen de reikwijdte van de leerstoel vallen de arbeidsvoorwaarden maar ook de medezeggenschap bij de overheid en alternatieve vormen van geschilbeslechting in arbeidsconflicten. Op welke wijze de leerstoel inhoud geeft aan de leeropdracht, zal ik illustreren door stil te staan bij de activiteiten van de hoogleraren die de leerstoel in de loop der jaren hebben bezet, waarbij u uit de verschillende citaten kunt afleiden dat het thema van vandaag - de ambtelijke status - al geruime tijd in de belangstelling staat.

De eerste hoogleraar op de leerstoel was Pim Fortuyn, die in 1991 in zijn inaugurele rede "een toekomst zonder ambtenaren" schetst. Zonder ambtenaren, maar - zoals hij het uitdrukte - met gemotiveerde werknemers in de collectieve sector.
Hij gaf in zijn rede een visie op de decentralisatie-initiatieven van minister Dales tegen de achtergrond van de noodzakelijke vernieuwing van de arbeidsorganisaties in de collectieve sector en stelde: "Een toekomst zonder ambtenaren snelt naderbij. Terwijl wij het oude nog bediscussiëren ontkiemt reeds het nieuwe. Emancipatie, democratisch bestuur in maatschappij en onderneming, alsmede de vrije markteconomie nemen een grote en wereldwijde vlucht. Het gaat er thans niet in de eerste plaats om het oude te bestrijden, maar om het nieuwe te denken en de gecreëerde ruimte creatief te benutten."
In het kader van het arbeidsvoorwaardenbeleid hield Fortuyn een pleidooi voor onder meer rigoureuze decentralisatie van arbeidsvoorwaardenonderhandelingen en afschaffing van het Algemeen Rijksambtenarenregelement (ARAR).

Vijf jaar later, we zijn dan in 1996, stelt professor H.J.L. Vonhoff bij zijn aantreden op de leerstoel: "Zo zie ik de toekomst, met alle respect voor mijn voorganger, toch niet. Het riekt mij te veel naar arbeidscontractanten waarover minister Witteman in 1945 zo terecht is lastig gevallen en het doet tekort aan de bijzondere positie van de overheid."
Vonhoff vond de totstandkoming van een goede arbeidsorganisatie en redelijke arbeidsvoorwaarden van doorslaggevende betekenis voor de onderlinge verhoudingen en beschouwde dit als de kern van de opdracht bij het vervullen van de leerstoel.
Vonhoff zei in zijn dankwoord: "Excellentie, u heeft immer grote belangstelling gekoesterd voor het onderzoeksveld waar deze leeropdracht zich over uitstrekt. Dat u mij in de gelegenheid stelt mijn leeropdracht aan te vangen, stel ik op hoge prijs. De continuïteit van bestuur in ons land wordt wellicht geïllustreerd door het feit dat ik uw ambtsvoorganger Van Dijk mede in dit dankwoord mag betrekken omdat hij indertijd, met het invoeren van het overeenstemmings-beginsel, het initiatief nam om deze leerstoel in te stellen."

Ook bij de afscheidsrede van Vonhoff in 2000 was er weer aandacht voor de rechtspositie van ambtenaren. Vonhoff verwees naar het advies van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP) uit 1998: "De term ambtelijke status roept eigenlijk onjuiste associaties op - alsof het zou gaan om een bepaalde bevoorrechte positie - en heeft daardoor een sterke emotionele lading. In feite gaat het om de ambtelijke hoedanigheid, waarin in de rechtspositie tot uitdrukking komt dat de overheid als bijzondere werkgever, door haar dubbele rol als bestuurder en hoeder van het algemeen belang én als werkgever van degenen die tot haar in een arbeidsrelatie staan, in meerdere of mindere mate dingen vergt die in een privaatrechtelijke arbeidsrelatie niet, of in mindere mate voorkomen."
Professor Wilke, die samen met Vonhoff op de leerstoel werd benoemd, voerde een rede met de titel: 'Zijn arbeidsverhoudingen bij de overheid marktconform?'.
Wilke benaderde het al dan niet marktconforme karakter van arbeidsverhoudingen normatief en betoogde dat de vraag voor een belangrijk deel bevestigend beantwoord kon worden. Hij betoonde zich voorstander van het hanteren van dezelfde regelgeving en wetgeving in de overheidssectoren.

In 2001 doet de heer Becking met zijn Grand Design onderzoek naar processen van normalisering en decentralisering in de arbeidsverhoudingen voor overheidspersoneel in de periode 1990-2000.

De leerstoel wordt in 2002 ondergebracht bij de Universiteit van Leiden. Vanaf dat moment verrichten de beide bijzonder hoogleraren Brenninkmeijer en Sprengers hun activiteiten voor de leerstoel. De opdracht is dan uitgebreid met alternatieve geschillenbeslechting en arbeidsverhoudingen bij de overheid. De redes van de hoogleraren (Brenninkmeijer onder de titel 'Effectieve conflictoplossing bij individuele arbeidsconflicten' en Sprengers over ‘Collectieve belangen en uiteenlopende geschillen') geven een goed beeld hoe omgegaan kan worden met arbeidsconflicten bij de overheid.
Voor wat betreft de gewaardeerde bijdrage van Brenninkmeijer op het gebied van arbeidsverhoudingen en alternatieve geschillenbeslechting moet ik inmiddels in de verleden tijd spreken, aangezien wij hem verloren hebben aan een nóg eerbiedwaardiger ambt, dat van Nationale Ombudsman.
Tot het werkveld van Loe Sprengers behoort de bestudering van de arbeidsverhoudingen bij de overheid. Hij besteedt aandacht aan rechtsvergelijking met de ontwikkelingen in de marktsector. Onderwerpen van studie zijn onder meer de collectieve arbeidsvoorwaardenvorming, het medezeggenschapsrecht en ontwikkelingen in de individuele rechtspositie.

Aan al deze gebieden van de leeropdracht wordt aandacht besteed door diverse onderzoeks- en onderwijsactiviteiten. De leerstoel wil vooral ook een platform zijn voor alle relevante disciplines waar toekomstverkenningen kunnen worden uitgezet. Dat debat wordt in samenwerking met het Centrum Arbeidsverhoudingen voorzien van centraal en ongedeeld beschikbare expertise.

Een recent voorbeeld van de platformfunctie is de internationale expertmeeting van juni dit jaar over behandeling van conflicten en conflictregulering; kennis uitwisselen en in relatie met het praktijkveld verder ontwikkelen blijkt steeds een werkbaar concept.

Niet onvermeld mogen blijven de zogenoemde ‘Lange Voorhout-gesprekken' die afgelopen voorjaar in de context van de leerstoel plaatsvonden over het vergrijzings- en vervangingsvraagstuk binnen de overheid. Hieraan werd door een aantal vertegenwoordigers van Verbond Sectorwerkgevers Overheid en Samenwerkende Centrales Overheidspersoneel deelgenomen. De mogelijkheden zijn verkend hoe in de komende jaren ingespeeld kan worden op problemen die op de overheidssectoren en het onderwijs afkomen in verband met onder meer de vergrijzing en de wijzigende wetgeving. Deze discussies hebben geresulteerd in het advies van de ROP dat recent is verschenen onder de titel ‘Vluchten kan niet meer. Leeftijdsbewust personeelsbeleid bij overheid en onderwijs een noodzaak'.

Ik eindig met de wens en de verwachting dat de leerstoel een bijdrage blijft leveren aan het overleg tussen overheid en werknemersorganisaties en tussen politiek en samenleving en blijft fungeren als platform voor openbaar debat. Het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek is hierin de rode draad. De hoogleraren die onze leerstoel sedert de oprichting hebben bezet, hebben daarbij steeds een rol van betekenis vervuld en ik spreek daarvoor mijn welgemeende dank uit. Zij werden en worden daarbij ondersteund door het Centrum Arbeidsverhoudingen dat de rol van expertisecentrum waardig vervult.
De uitkomst van de discussies die de komende tijd gevoerd zullen worden is van belang. In mijn rol van spectateur engagé, balancerend op de grens van waarnemer en participant, en tegenwoordig meer als waarnemer, zal ik het verloop ervan met veel aandacht volgen.

 

Meer informatie

Neem contact op met:

Loes Spaans
Coördinerend beleidsmedewerker
Arbeidsverhoudingen / secretaris leerstoelen
070 - 376 57 11

De Albeda leerstoel wordt ondersteund door: